Klimaatadaptatie op basis van wijktypen

Aanduidingen als historische binnenstad, volkswijk of naoorlogse tuinstad geven veel informatie over de karakteristieke woonomgeving die daarbij hoort. We ‘zien’ meteen de bouwperiode, bouwstijl, mate van verstedelijking, type en grootte van woningen, soort en hoeveelheid groen en water, de indeling van de openbare ruimte en bijvoorbeeld de indeling en breedte van het wegprofiel. Op basis van die profielen zijn ook inschattingen te maken van de klimaatadaptatieve maatregelen die nodig zijn, laten Laura Kleerekoper, Arjen Koekoek en Jeroen Kluck zien.

De huidige inrichting van straten is vaak onvoldoende bestand tegen extreme weersomstandigheden, weten we inmiddels wel uit de praktijk. In het kader van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie moeten gemeenten daar nu een scan op uitvoeren en maatregelen nemen. Wij hebben onderzocht of een typologie van wijken is te gebruiken om inzicht te krijgen in de kwetsbaarheid van een wijk voor de gevolgen van klimaatverandering. En dat blijkt heel goed te kunnen. Zo blijken tuindorpen vooral kwetsbaar vanwege de verstening van privétuinen, omdat het groen in deze wijken voor het overgrote deel particulier is.

Mogelijkheden

De wijktypen maken het ook mogelijk generieke maatregelen voor klimaatadaptatie voor wijken binnen dezelfde typologie op te stellen en te presenteren. De kenmerken van een wijktype bepalen in belangrijke mate hoe er in de straat rekening is te houden met een extremer klimaat. Zo maakt de ruime aanwezigheid van openbaar groen naoorlogse tuinsteden minder kwetsbaar voor hitte en extreme neerslag. De stedelijke bouwblokken daarentegen vragen eerder om technische oplossingen ondergronds. De structuur van bloemkoolwijken tenslotte biedt bijvoorbeeld plaats voor wadi’s om hevige regenbuien lokaal te kunnen verwerken.
Tijdens de verschillende bouwperioden is betrekkelijk eenvormig gebouwd in Nederland. Mogelijkheden voor een klimaatbestendige inrichting zijn daardoor ongeveer gelijk voor straten die binnen dezelfde typologie vallen, ongeacht in welke gemeente ze zich bevinden. Lokale omstandigheden als de helling van het gebied, de bodemsoort en grondwaterstand variëren vanzelfsprekend wel en zijn van invloed op de oplossingsmogelijkheden.
De indeling in wijktypen biedt ook interessante mogelijkheden voor andere beleidsopgaven, zoals energietransitie, elektrisch parkeren, vergroeningsstrategieën, sporten en spelen te integreren in de stad.
De beroepsgroep van stedenbouwkundigen en planologen, die zich nadrukkelijk bezighoudt met de openbare ruimte, maakt al gebruik van een indeling in wijktypen. Voor andere beroepen is dat geen dagelijkse kost. Om hierin te ondersteunen hebben de Hogeschool van Amsterdam, Tauw en Climate Adaptation Services (CAS) een indeling gemaakt voor alle wijken in Nederland op basis van een aantal kenmerken.

Methodiek

Voor de Klimaateffectatlas CAS (2017) hebben we een onderverdeling gemaakt die aansluit bij het voorbeeldenboek over klimaatbestendig inrichten van woonstraten van de Hogeschool van Amsterdam (Kluck et al., 2017). Dat is weer gebaseerd op de wijktypologieën op de classificering van Kleerekoper (2016).

Bij de indeling naar buurten hebben we gekeken naar de typologie op postcode 6-niveau (zoals 1234AB). Op dit niveau is de bebouwing vaak homogeen en is er duidelijk onderscheid te maken tussen wijktypen. Met behulp van GIS hebben we eenvoudig beschikbare geografische data geanalyseerd op basis van eigenschappen als bouwjaar, bouwhoogte, woningdichtheid, aandeel groen in de buurt en de functie van de bebouwing.
Voor het bouwjaar en de bouwhoogte per pc6-gebied hebben we niet een gemiddelde waarde gebruikt, maar een meest voorkomende waarde. Daarvoor zijn de bouwperioden en bouwhoogten ieder in circa tien klassen ingedeeld (bijvoorbeeld 0-3 m, 3-6 m etc. en voor 1900, 1900-1920, etc.)
Vervolgens hebben we op basis van alle postcode 6-gebieden in een buurt het dominante wijktype bepaald. Dit is nodig omdat veel buurten in de praktijk niet homogeen zijn, maar door bijvoorbeeld inbreidingen en aanpassingen bestaan uit verschillende typologieën.

Wijktypologie2

Afbeelding: Wijktypen in de Klimaateffectatlas

Wijktypologie1

Afbeelding: De wijktypologie gekoppeld aan een indicatie kwetsbaarheid voor wateroverlast

Toetsing en kalibratie

Voor twee steden, Amsterdam en Deventer, hebben we de GIS-bepaling getoetst aan een handmatige toekenning van een wijktype op basis van kennis en inzicht door experts. De beslisboom is daarop aangepast om een zo goed mogelijke match te krijgen. Uit de vergelijking van de automatische toekenning door GIS met de handmatige toekenning kunnen we concluderen dat de stap van pc6-gebieden naar één wijktype voor veel gebieden goed gaat (waaronder bedrijventerrein, historische binnenstad, Vinex).
De kaart toont welke type van inrichting in een wijk dominant is. In de buurten die een mengeling zijn geworden van verschillende bouwstijlen, wint het meest voorkomende type het vaak maar net van de andere. Met name ‘tuinstad laagbouw’ en ‘tuinstad hoogbouw’ zijn veel door elkaar heen gebouwd. De mate van menging hebben we met een arcering aangegeven: >50% van eenzelfde type is homogeen, 25-50% gemengd en <25% zeer gemengd. Bij gemengd kan er sprake zijn van 3 of meer verschillende wijktypen.

Er is nog een aantal punten waarop de automatische bepaling verbeterd zou kunnen worden. Zo toont de huidige BAG-dataset het jaar waarop een gebouw is vernieuwd of gerenoveerd als bouwjaar. Daarmee komt een gerenoveerde volkswijk er uit als ‘gebouwd in 1970-1990’, terwijl de wijk qua uiterlijk nauwelijks is veranderd en doet denken aan de jaren dertig. Dit hebben we in de kaart als ‘vernieuwd’ aangegeven. Het zou beter zijn hier een manier te vinden om de oorspronkelijke bouwjaren te gebruiken. Verder is het van belang te beseffen dat de kaart gebaseerd is op GIS-data uit verschillende jaren. Zo ontbreekt van nieuwbouw van na 2009 de bouwhoogte, zodat deze niet goed kon worden verwerkt.

Werk in uitvoering

Voor een aantal typen is de bepaling nog niet helemaal zuiver. Dit geldt voor de bloemkoolwijken en de naoorlogse woonwijken. De kenmerken van deze wijktypen zijn (nog) niet onderscheidend genoeg. Ze hebben overlap in alle kenmerken die we gebruiken voor de automatische typologiebepaling: bouwjaar, hoogte, dichtheid en hoeveelheid groen. In een vervolgonderzoek hopen we een beter onderscheid tussen de wijktypen te kunnen maken door sociale functies toe te voegen of te kijken naar aspecten als parkeren of woonerven. Ook een dataset met het originele bouwjaar van panden zou de typologiebepaling kunnen verbeteren.
Veel kleinere kernen zijn niet onderverdeeld in verschillende buurten (CBS-buurten 2016). De CBS-‘buurten’ zijn hier relatief groot, soms één per kern. De methodiek leidt tot onevenredig veel bloemkoolwijken, omdat veel dorpen in latere jaren zijn uitgebreid en vernieuwd, en omdat de kleine kernen relatief veel groen hebben. Details over oude dorpskernen en uitbreidingen zijn hierbij verloren gegaan. Dit behoeft verbetering.

Het resultaat van het in kaart brengen van alle bebouwde gebieden in Nederland is te zien op
http://www.klimaateffectatlas.nl/kaartverhalen.

De wijktypen op de kaart kunnen worden gekoppeld aan mogelijke oplossingen voor klimaatbestendig inrichten. Het eerdergenoemde voorbeeldenboek toont kosten-batenanalyses en varianten van waterbestendige inrichtingen. Voor acht verschillende wijktypen hebben we oplossingen gegeven en doorgerekend. Voor ieder type zijn drie varianten ontwikkeld waarbij hevige neerslag het water niet de woningen instroomt. De eerste variant bergt extra water op straat, de tweede en derde variant hebben extra waterbergings- en infiltratievoorzieningen, waarmee een hemelwaterafvoer niet meer nodig is. We geven twee voorbeelden aan de hand van de typen stedelijk bouwblok en tuinstad hoogbouw.

Het praktijkvoorbeeld voor het stedelijk bouwblok laat zien dat waterberging in openbaar terrein op verschillende manieren kan worden opgelost zonder dat dit extra geld hoeft te kosten. De openbare ruimte is bij dit type beperkt waardoor vooral naar ondergrondse oplossingen moet worden gezocht.

Het praktijkvoorbeeld voor de naoorlogse tuinstad hoogbouw laat zien dat waterberging in openbaar terrein hier eenvoudig is en dat de inrichting voor hetzelfde geld klimaatbestendig kan. De openbare ruimte heeft veel grote groenvlakken die kansen bieden voor veel waterberging.
In de praktijk blijkt dat de oplossingen voor wateroverlast in de twee wijktypen ook goed zijn te gebruiken voor hittegerelateerde problemen. De Hogeschool van Amsterdam start binnenkort een onderzoek naar de hitteopgave waar gemeenten voor staan. Wij willen werken aan een inschatting van het hitterisico en deze koppelen aan de wijktypologie voor Nederland. Op de site van de Klimaateffectatlas kun je alvast de klimaateffecten voor een aantal regio’s bekijken. Ga aan de slag met je wijk en gebruik de wijktypologie als hulpmiddel in het selecteren van maatregelen voor een klimaatbestendige inrichting.

Bron: RO Magazine


Wijktypologie2