Landbouw

Inspelen op wisselende weersomstandigheden is onderdeel van het ambacht van de boer en de tuinder. Klimaatverandering is dan ook voor veel boeren en tuinders geen reden voor grote onrust. Wel leeft het besef dat de land- en tuinbouwsector zich moet voorbereiden op de steeds vaker optredende extreme weersomstandigheden. Het is primair aan de agrariërs zelf om maatregelen te treffen en keuzes te maken over het omgaan met risico’s.

De NAS geeft een overzicht van de effecten van klimaatverandering voor de verschillende sectoren in Nederland, waaronder de landbouw. Via een bollenschema worden de effecten van klimaatverandering voor de sector landbouw in beeld gebracht.  Als één van de urgent aan te pakken klimaateffecten benoemt de NAS de Frequentere oogstschade en andere schade in de land- en tuinbouw door extreem weer.

Wat verandert er?

De landbouw krijgt op verschillende manieren te maken met klimaatverandering. Sommige veranderingen zijn positief, andere zijn negatief; sommige effecten zijn heel direct, en andere indirect. Een voorbeeld van een direct, positief effect is dat  hogere temperaturen en CO2-concentraties de gewasgroei bevorderen. Diezelfde  hogere temperaturen zullen voor vee juist vaker gaan zorgen voor hittestress, zowel in de wei als in de stallen.

De toenemende kans op extreem weer zal vaker leiden tot hagelschade en wateroverlast, maar ook langere periodes van droogte met directe gevolgen voor gewasopbrengsten en/of kwaliteitsverlies van het product. Daarnaast kunnen productiemiddelen zoals kassen en stallen, beschadigd raken.

Gewasgroei zal ook vaker komen te lijden onder langere droge periodes in het voorjaar, terwijl de nattere zomers een hoger risico op ziektes en plagen met zich meebrengen.

Wat kunnen boeren doen?

Mensen, en dus ook boeren en tuinders, komen pas in actie als zij weten wat er aan de hand is en wat zij er aan kunnen doen. De trits weten-willen-kunnen-werken is ook hier van toepassing.

Boeren passen hun bedrijfsvoering aan. Velen doen dat nu al, bijvoorbeeld door (lokale) aanpassing van de grondwaterstand en vaker beregenen tegen droogte. Ander voorbeelden zijn het plaatsen van hagelnetten tegen hagelschade en het afsluiten van verzekeringen tegen storm- en hagelschade en intense neerslag. Naarmate de klimaatverandering doorzet is te verwachten dat waterschappen vaker een beregeningsverbod opleggen en verzekeringsmaatschappijen het toenemend aantal schadegevallen vertalen in hogere premies of strengere voorwaarden. Lees verder in het rapport 'Open teelten en klimaatadaptatie in relatie tot de financiële weerbaarheid' (pdf, 1.7 MB).

In de toekomst zijn mogelijk ingrijpender maatregelen nodig (maar niet altijd mogelijk), zoals het koelen van stallen, het planten van bomen voor meer schaduw in de wei, gerichtere waterpeilafspraken (zie De Gelderlander 24 juli 2017) en het anderszins aanpassen van de bedrijfsvoering zoals door de keuze van nieuwe rassen of gewassen. Bij dat laatste kan gedacht worden aan nieuwe rassen of gewassen die beter bestand zijn tegen ziektes, droogte of zout, efficiëntere irrigatiemethoden, op grotere schaal toepassen van drainage, het verbeteren van de bodemstructuur (sponswerking) of aanpassing van rotaties en zaai- en oogsttijdstippen en -frequenties.

Deze ingrijpender aanpassingen vergen een grotere investering van de boer en zijn niet altijd zonder risico. Experimenten met andere of aangepaste gewassen of een andere bedrijfsvoering kunnen ook mislukken; regelgeving en publieke opinie blijken soms in de weg te staan (denk bijvoorbeeld aan de weerstand tegen genetisch gemodificeerde gewassen). Niet iedere boer zal in staat zijn de investeringen voor aanpassing en de bijbehorende risico’s te dragen. De hoop is dus gevestigd op voortrekkers, welke – bijgestaan door belanghebbenden zoals leveranciers, afnemers en meedenkende beleidsmakers – het pad zullen effenen.

Hoe kunnen boeren hierbij geholpen worden?

Adaptatie door boeren kan door meerdere partijen gefaciliteerd worden. Op sommige punten kan geleerd worden van landen rond de Middellandse zee en in Zuidwest Frankrijk. Kennisinstellingen en veredelaars kunnen technologische innovaties aandragen en teelten ontwikkelen die minder water nodig hebben. Waterschappen kunnen het watersysteem en hun waterbeheer aanpassen voor de landbouw. Daarvoor werken de waterschappen in het Deltaprogramma Zoetwater samen met rijk en provincies en voeren mede in dat kader maatregelen uit.

Daarnaast zijn er vele partijen die een belang hebben bij een vitale agrarische sector (verzekeraars, banken, loonwerkers, leveranciers van zaden en voeder en afnemers van agrarische producten) en die boeren met raad en daad kunnen bijstaan in het omschakelen naar aangepaste bedrijfsvoering. Leren van elkaar levert een belangrijke bijdrage aan het handelingsperspectief zoals blijkt uit het project Vruchtbare kringloop Achterhoek. Er dient hierbij wel opgemerkt te worden dat bij het nemen van maatregelen, vooral door provincies en waterschappen, ook andere belangen zoals natuur meegewogen moeten worden. Dit  kan conflicteren met de wensen van de boeren. Het aanpassen van waterbeheer voor de agrarische sector in gebieden met (natte) natuur is daarom vaak een complexe regionale opgave.

Wat kunnen boeren doen voor anderen?

Oplossingen zullen in de toekomst in toenemende mate gezocht worden in integrale oplossingen, waarbij verbindingen worden gelegd met andere maatschappelijke thema's zoals bijvoorbeeld de energietransitie, natuurontwikkeling en recreatie. De kennis, ervaring en visies van ondernemers in de landbouw zijn hierbij van grote waarde. Boeren bezitten gezamenlijk ruim de helft van het Nederlandse landoppervlak, en zijn daarmee van groot belang voor de klimaatadaptatie van het hele land.

Een voorbeeld is het opvangen van piekafvoer van beken en watergangen. Boeren kunnen land beschikbaar stellen als tijdelijk retentiegebied, en maatregelen treffen die zorgen dat regenwater langer wordt vastgehouden in de bodem (door verbetering van de bodemstructuur) of in kleinere beken (door ze opnieuw te laten meanderen). Hierdoor kunnen piekafvoeren al grotendeels afgevangen worden nog voor ze de stedelijke gebieden bereiken.  Dergelijke maatregelen dienen vaak meerdere doelen (schoner water, circulaire energie en energietransitie). Door samen met anderen de gebiedsopgaven te verkennen en naar meekoppel-mogelijkheden te zoeken kan er vaak meer met minder.

Een ander voorbeeld is klimaatadaptatie voor de natuur. Kwetsbare soorten moeten in staat gesteld worden noordwaarts te migreren, en zijn sowieso gebaat bij grotere habitatgebieden. Boeren kunnen hiervoor zorgen door habitatgebieden zelf te creëren (bijvoorbeeld voor weidevogels, kleine knaagdieren en insecten) of door corridors en stapstenen aan te leggen die habitatgebieden van grotere soorten met elkaar verbinden.

Boeren kunnen ook een belangrijke rol spelen in oplossingen voor het mitigatie vraagstuk. Bijvoorbeeld door het afvangen van methaanuitstoot van koeien of door het beschikbaar stellen van ruimte voor windmolens of zonneakkers.

En zo zijn er meer manieren mogelijk waarop boeren hun grond kunnen gebruiken om diensten te leveren aan de rest van de samenleving. De uitdaging hierbij is een beloningsstructuur te vinden die voor de boer interessant is, maar ook voldoende maatschappelijk draagvlak heeft en juridisch mogelijk is.